Obductie is onderzoek van het lichaam na overlijden. Het wordt ook wel een sectie of autopsie genoemd. Het onderzoek wordt verricht door een patholoog, een arts die gespecialiseerd is in deze vorm van onderzoek.
Obductie omvat zowel uitwendig als inwendig onderzoek. Voordat de patholoog aan de obductie begint doet hij eerst een uitwendig onderzoek (schouwing). Bij het inwendig onderzoek worden vrijwel alle organen van de overledene onderzocht.
Ook onderzoek van de hersenen kan er onderdeel van uitmaken.
In het ziekenhuis wordt alleen een obductie gedaan als hiervoor toestemming is gekregen van de nabestaanden.
Een obductie wordt zo uitgevoerd dat er bij opbaring vrijwel niets meer van te zien is.
De brochure van de NVVP betreffende obductie is via onderstaande link te bekijken.
Een obductie kan bedoeld zijn om meer inzicht te krijgen in:
Een obductie schept meer duidelijkheid, kan ons informeren over de precieze aard van de ziekte en ons helpen bij familieleden en andere patienten met een vergelijkbare ziektegeschiedenis. Ook is een obductie belangrijk voor de scholing van artsen. En tot slot voor wetenschappelijk onderzoek om behandelingen te kunnen verbeteren.
Bij een obductie wordt het lichaam van een overledene geopend en worden de organen onderzocht. Zij worden over het algemeen één voor één uit het lichaam gehaald, gewogen en ook ingesneden om de binnenkant te kunnen inspecteren.
Vervolgens wordt uit elk orgaan een klein stukje weefsel genomen om microscopisch te onderzoeken. Dat is belangrijk, omdat niet alle afwijkingen met het blote oog herkenbaar zijn. Daarna worden de organen merendeels teruggeplaatst in het lichaam, behalve de organen waarvan het onderzoek nog niet afgerond is.
Het lichaam wordt gesloten om vervolgens te worden overgedragen aan de uitvaartverzorger. Als de overledene voor een opbaring wordt aangekleed, is van de obductie niets meer te zien, behalve als bij mensen zonder hoofdhaar een schedellichting voor hersenonderzoek heeft plaatsgevonden. Als u dit laatste bezwaarlijk vindt, kunt u dit bespreken met de arts die de obductie heeft aangevraagd. Er kan dan bijvoorbeeld worden afgezien van hersenonderzoek.
Een obductie bestaat uit twee onderdelen, te weten: de lichaamsobductie en de schedelobductie
Bij de lichaamsobductie worden hals-, borst- en buikorganen uitgenomen voor onderzoek. Van alle organen wordt het weefsel onder de microscoop onderzocht en wordt een klein deel bewaard totdat het volledige onderzoek is afgerond. Alle organen worden in het lichaam teruggeplaatst, tenzij de hierin aangetroffen afwijkingen te complex zijn. De doorlooptijd van het onderzoek is dan te lang en de organen kunnen dan niet met het lichaam worden mee begraven of gecremeerd.
Bij de schedelobductie worden de hersenen uitgenomen. Het onderzoek van de hersenen duurt lang en heeft tot gevolg dat de hersenen niet in het lichaam kunnen worden teruggeplaatst. Voordat een schedelobductie kan worden gedaan wordt altijd apart om toestemming gevraagd.
Net zoals na een operatie blijft na obductie een gehechte wond achter op de buik en de borst. Bij schedelobductie is er een gehechte wond op het achterhoofd. Beide soorten obductie worden op zorgzame en zorgvuldige wijze uitgevoerd. Uw naaste kan worden opgebaard zonder dat iets van de obductie is te zien.
Organen die niet in het lichaam worden teruggeplaatst worden later gecremeerd. De crematie van niet teruggeplaatste organen is door de overheid gereguleerd en vindt plaats in daartoe aangewezen instellingen. Naast het bewaren van organen is het gewenst dat stukjes weefsel die microscopisch zijn onderzocht worden bewaard. Wij vragen voor het bewaren van stukjes weefsel geen aparte toestemming.